Ogen

Het onderzoek op erfelijke oogafwijkingen. (meer over oogafwijkingen bij de Raad van Beheer)

Voor leden van Nederlandse Vereniging “LANGHAAR” die een nestje fokken met hun Langhaar is het  verplicht een onderzoek op erfelijke oogafwijkingen te laten uitvoeren. Dit geldt voor beide fokdieren (reu en teef).  Het oogonderzoek wordt in Nederland op diverse locaties uitgevoerd door een aantal dierenartsen, die samen het Nederlandse ECVO Oogpanel vormen. Dit panel is door de European College of Veterinary Ophthalmologists erkend. De registratie van de uitslagen is in handen van de Raad van Beheer op Kynologisch gebied.

Indien u het onderzoek laat uitvoeren dient u de stamboom en het registratie/eigendomsbewijs mee te nemen. Als het ECVO oogonderzoek reeds eerder is uitgevoerd, neem dan altijd de eerdere uitslag(en) mee.

Hoe verloopt het oogonderzoek?

Om het gehele oog goed te kunnen bekijken worden oogdruppels toegediend waardoor de pupil open gaat staan. De druppels werken na ongeveer 20 minuten, de pupil blijft daarna circa 4 uur wijd. De hond wordt in een verduisterde ruimte bekeken. Voor het onderzoek wordt het “rapport oogonderzoek” ingevuld en ondertekend door de eigenaar/houder, waarmee deze toestemming geeft om de uitslag door te geven aan de Raad van Beheer. De Raad geeft de uitslag door aan de Rasvereniging als er een overeenkomst tussen deze twee partijen is. Ook wordt voor het onderzoek de identificatie (transponder of tatouage) van de hond gecontroleerd. Het oogonderzoek gebeurt zonder enige sedatie (“roesje”) en is beslist niet pijnlijk. De uitslag is gelijk bekend en wordt op het “rapport oogonderzoek” vermeld.

Om welke oogafwijkingen gaat het?

Bij het onderzoek wordt gezocht naar alle afwijkingen waarvan een erfelijke basis bekend is. Het “rapport oogonderzoek” vermeldt 17 afwijkingen bij naam. De belangrijkste worden hieronder genoemd:·         

  • Membrana Pupillaris Persistens (MPP). 
    Een aangeboren afwijking waarbij restanten aanwezig zijn van weefsel  dat normaal kort na de geboorte verdwijnt. De afwijking kan in zeer lichte mate voorkomen, zonder enig gevolg voor het gezichtsvermogen. In ernstiger gevallen zijn er wel nadelige gevolgen. Bij een aantal rassen is een bewezen erfelijke afwijking en kan het ook problemen voor het gezichtsvermogen geven. Bij deze rassen wordt de hond eerst zonder pupilverwijding bekeken.
  • Persisterende hyperplastische tunica vasculosa lentis/primair vitreum (PHTVL/PHPV).
    Er worden 6 gradaties onderscheiden. Bij deze aangeboren afwijking vertoont de lens pigmentstippeltjes (graad 1) waarvan de hond geen last heeft, of ernstiger afwijkingen (graad 2 t/m 6) waarbij de lens troebel en misvormd is en de hond op jonge leeftijd blind wordt of reeds blind wordt geboren.
  • Cataract (congenitaal).
    Dit is aangeboren grauwe staar. Reeds bij de jonge pup zijn troebelingen in de lens zichtbaar, die het gezichtsvermogen kunnen belemmeren.
  • Retina Dysplasie (RD).
    Dit is een aangeboren netvliesafwijking. Hierbij zijn er plooitjes in het netvlies. Het aantal kan beperkt zijn (focale vorm), maar ook meer uitgebreide vormen komen voor (geografische en totale vorm). In de laatste gevallen is er sprake van beperking van het gezichtsvermogen. De afwijking komt bij erdere rassen voor.
  • Collie Eye Anomalie.
    Dit komt vooral bij de Schotse Herdershond en de Shetland Sheepdog voor. Het is een aangeboren afwijking waarbij het netvlies, het vaatvlies en de oogzenuw betrokken kan zijn. De ernst van de afwijking bepaalt de mate waarin het gezichtsvermogen is aangetast.
  • Ligamentum pectinatum abnormaliteit (Goniodysplasie).
    Een aangeboren afwijking van de afvoer van het kamervocht (het vocht in de ruimte tussen het hoornvlies en de iris). Een deel van de honden met deze afwijking ontwikkelt glaucoom (hoge oogdruk). De afwijking komt bij veel rassen voor. Onderzoek naar de afwijking vindt plaats met behulp van een gonioscopie-lens, die tijdelijk op het hoornvlies wordt geplaatst. Daardoor kan de plaats waar de afvoer in het oog plaatsvindt worden onderzocht. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving en het is niet pijnlijk voor de hond. Het neemt wel meer tijd en geduld van zowel de hond als de onderzoeker. Het onderzoek naar deze afwijking wordt niet standaard bij het oogonderzoek uitgevoerd, maar is een extra handeling. Bij het maken van een afspraak dient u duidelijk te vermelden dat er gonioscopie moet worden gedaan. Er wordt dan een dubbele afspraak gemaakt. Eerst wordt bij de hond de gonioscopie uitgevoerd. Indien de hond ‘vrij’ wordt bevonden voor dit onderdeel, wordt een pupilverwijdende vloeistof ingedruppeld. Na ongeveer twintig minuten kan de rest van het onderzoek worden gedaan.
  • Entropion.
    Dit is een afwijking waarbij een ooglid (meestal het onderooglid) naar binnen draait. Het komt bij veel rassen voor.
  • Distichiasis/Ectopische Cilie.
    Dit is abnormale haargroei in de ooglidrand en op andere plaatsen zoals in de bindvliezen. De haartjes kunnen door constante irritatie beschadigingen van het hoornvlies geven. Het komt voor bij meerdere rassen.
  • Cataract (niet-congenitaal).
    Cataract is staar. In de lens zijn troebelingen aanwezig. Het kunnen kleine troebele plekjes zijn die lange tijd stabiel zijn en niet of nauwelijks een vermindering van het gezichtsvermogen geven. Maar ze kunnen ook in ernstige mate voorkomen en/of uitbreiden en daarbij blindheid van het aangetaste oog veroorzaken. Cataract kan aan een oog voorkomen, of beiderzijds. Het komt bij veel rassen voor. Bij veel rassen treedt het al op in de eerste levensjaren, maar het kan ook nog op latere leeftijd optreden. Het onderscheid met het normale verouderingsproces van de lens (de bekende blauwe waas bij oudere honden) is meestal goed te maken.
  • Primaire Lensluxatie.
    Dit is het loslaten van de lens. Komt vooral voor bij kleine Terriërs en treedt meestal op rond de 4 jarige leeftijd. Een lensloslating kan een drukverhoging (glaucoom) in het oog veroorzaken en zo tot blindheid leiden.
  • Retinadegeneratie of Progressieve Retina Atrofie (PRA).
    Dit is een groep van netvliesafwijkingen die bij veel rassen voorkomt en tot blindheid leidt. Het begint meestal met slecht zien in het donker (nachtblindheid) en leidt uiteindelijk na enkele jaren tot volledige blindheid. Er bestaat geen behandeling voor PRA. PRA ontwikkelt zich bij veel rassen pas na het derde of vierde levensjaar. Voor die tijd is er aan de hond niets te merken en bij het oogonderzoek ook niet te zien. Voor een aantal rassen bestaat er nu een DNA-test, waardoor bij pups al is vast te stellen of de hond genetisch vrij is of dat er een kans is op dragerschap of lijderschap. De verwachting is dat deze ontwikkelingen de komende jaren zullen doorgaan.    

Betekenis van de uitslag.

  • “Vrij”
    het dier vertoont geen verschijnselen van de aangegeven, als erfelijk beschouwde oogziekte. Let op, dit betekent niet dat het dier de afwijking niet kan doorgeven aan de nakomelingen. Het kan een drager zijn. Ook is het niet uit te sluiten, dat het dier de afwijking later alsnog kan krijgen.
  • “Niet vrij”
    het dier vertoont de klinische symptomen van de erfelijke oogziekte.
  • “Onbeslist”
    zeer geringe afwijkingen, die mogelijk passen bij het klinische beeld van de erfelijke oogziekte; deze zijn echter onvoldoende specifiek.
  • “Onbeslist
    betekent niet dat de onderzoeker het niet weet! Er zijn wel degelijk afwijkingen van het normale beeld bij de hond aanwezig, maar ze zijn niet duidelijk genoeg aanwezig om de hond “niet vrij” te verklaren.
  • “Voorlopig niet vrij”
    Geringe afwijkingen passend in het klinisch beeld van de als erfelijk beschouwde oogziekte. Voortschrijden van het proces moet dit bevestigen. Meestal wordt na een half jaar de hond opnieuw beoordeeld.

Waarom moet er meerdere malen worden onderzocht?

Een aantal afwijkingen (bijvoorbeeld lensluxatie, cataract, PRA) ontstaat pas na enkele jaren. Een eenmalige test is dan niet voldoende, de afwijking kan zich immers nog later openbaren.